Het wormvormig aanhangsel

geplaatst in: Korte verhalen | 0

Dat hij hier nu ligt, in dit Krankenhaus in Wörgel, verbaast Hendrik Hendriks niet. Pech kan je het niet noemen, want dat zou betekenen dat hij ook geluk moet hebben. Hij kan zich van de afgelopen paar jaar geen gelukkig moment heugen. Hij hoopte aan die omstandigheid iets te veranderen, zijn dames gunstig te stemmen met deze wintersportvakantie. Skiën in Oostenrijk, met dat idee heeft hij niet alleen zijn vrouw en dochter verrast, maar zichzelf ook. Normaal gesproken zweert hij bij de Zeeuwse kust, dit jaar wil hij het anders. En dat grenzen verleggen betreft niet alleen hun vakantiebestemming. Zijn vrouw was direct enthousiast en zelfs Ella, zijn 16 jarige punkdochter, stemde in, zij het met een stuurs gezicht.
Hendrik betast voorzichtig de pijnlijk zeurende plek onderaan zijn buik. Met zijn vingertoppen voelt hij de krammen die zijn vel strak bijeen trekken. Hij wordt licht misselijk. De huid rondom het litteken is verdoofd. Hier durft hij wat steviger te drukken met zijn vingers en voelt niets; alsof een stukje van hem daar is verdwenen. Het raspende ademhalen van de patiënt naast hem stokt. Het hoofd van de man is achterover gezakt waardoor zijn mond openstaat, zijn lippen naar binnen gevallen, zo typerend voor oude mensen die hun gebitsprothese niet in hebben. Zijn magere gezicht ziet grauw. Een levend lijk, ze hebben hem naast een levend lijk gelegd. Er komt een zuster binnen. Vanmorgen is Hendrik met spoed geopereerd, het is nu middag, de uren zijn voorbij gekropen. Nancy en Ella kunnen elk moment op bezoek komen. Hij verlangt naar hun aanwezigheid, het chagrijnige hoofd van Ella en het geratel van zijn vrouw Nancy. Tegelijkertijd met de zuster die een dienblad met eten en een glas drinken naar binnen draagt, komt voor zover hij het kan inschatten, de vrouw van zijn buurman binnen. De zuster glimlacht naar Hendrik en schuift het blad behendig op het tafeltje dat boven het bed van zijn buurman zweeft.
‘Und ich?’
De zuster komt naast zijn bed staan, schudt haar hoofd. Ze controleert het slangetje van het infuus aan zijn arm.
‘Sie haben lange Ärmen,’ zegt ze.
‘Ich habe erge Hunger und nog meer Dorst.’
‘Es tut mir leid. Sie dürfen nichts essen und trinken. Der Herr Hauptartzt wird ihnen alles erklären.’
De vrouw van zijn buurman mengt zich in het gesprek.
‘Sind Sie Holländer?
Hij knikt, ziet boterhammen, kaas en worst en naast het bord zelfs een bakje met peertjes op siroop. Zijn maag knort hoorbaar.
‘Skiunfall?’
‘Nein.’ Hendrik draait zijn hoofd en sluit zijn ogen. Hij wil best met deze mevrouw praten en zijn Duits is redelijk, maar het Duiste woord voor acute blindedarmontsteking kent hij niet.
Ella, Nancy en hij waren vanmorgen al om 7.00 uur opgestaan om tijdig hun ski’s en bijbehoren te bemachtigen in de Skischule van het dorp. Hij gaf net zijn schoenmaat door aan de jongen die hem hielp, toen plotseling een knerpende pijn van zijn tenen tot zijn kruin door zijn lijf trok. Het zweet brak hem uit. De pijn ging niet weg en hij bleef overmatig zweten. Hij ging op een bankje zitten. Nancy en Ella en de jongen met in iedere hand een skischoen maat 45, stonden om hem heen. Dubbelgevouwen van de pijn kon hij alleen nog kreunen. Nancy zei tegen de jongen dat hij een dokter moest bellen. Ella kwam naast hem zitten en legde haar hand op zijn rug.
Nu hij aan de situatie terugdenkt, dringt dat laatste pas goed tot hem door. Ella naast hem op de bank, haar hand op zijn rug. Hoe lang is het wel niet geleden dat ze hem überhaupt heeft aangeraakt, een zoen of een knuffel heeft gegeven? Vroeger was ze juist zo’n knuffelkont. Een pijnscheut trekt door zijn buik.
‘Schwester, bitte, geben sie mir etwas gegen de Schmerz.’
Ze staat alweer bij de deur, draait zich om en zegt dat de Herr Hauptartzt niet lang op zich zal laten wachten. Hij ziet hoe de buurvrouw haar blik van hem afwendt en zich over haar eigen man buigt. In wat voor middeleeuwse praktijken is hij terechtgekomen? De kamer, klein en bedompt, heeft maar één lichtbron; een raam zo hoog dat hij er vanuit bed niet door naar buiten kan kijken. De muren zijn zo grauw als het gezicht van zijn buurman. Er hangt niets tegenaan, geen leuk landschap of stilleven zoals in de Nederlandse ziekenhuizen om de patiënt wat op te vrolijken. Waar blijft die Hauptarts en waar blijven Nancy en Ella?
Hij verheugt zich elk jaar weer op de winter. Als kleine jongen al stormde hij naar buiten zodra de eerste vlokken vielen. Later, toen ze Ella hadden, was hij met haar gaan sleeën en bouwden ze samen de grootste sneeuwpop van de straat. Nu ligt hij hier met bergen vol sneeuw op een steenworp afstand waar hij niets van meekrijgt. De deur gaat weer open en zijn vrouw en dochter komen binnen met een laagje sneeuw op hun haren. Onnadenkend richt hij zich op en moet die minieme beweging direct bekopen. Hij krimpt ineen.
‘Hendrik, doe dat niet, blijf in godsnaam liggen, gaat het?’
Nancy loopt snel naar hem toe. Ze buigt zich over hem heen en geeft hem een zoen, haar lippen voelen koud tegen zijn verhitte wang.
‘Ik verga van de dorst maar blijkbaar krijg je hier pas wat te drinken als de hoofdarts langs geweest is.’
Niet veel later gaat de deur weer open en alle drie kijken ze naar de man die binnenkomt. Hendrik ziet direct dat het die verrekte hoofdarts is, niet zozeer door zijn postuur of de witte jas, maar door zijn opgeheven kin en de twee zusters in zijn kielzog.
‘So Herr Hendriks,’ zegt hij terwijl hij Nancy en Ella toeknikt. ‘Wie geht es ihnen jetzt?’
Een van de zusters reikt Nancy een schaaltje aan met wat stokjes erop.
‘Der Schwester erzählte mir das Sie durstig sind.’ Hij wijst naar de stokjes in Nancy’s hand. ‘Damit befeuchten Sie ihren Mund. Es ist besser nichts zu trinken.’
Nancy steekt pardoes een stokje in Hendriks mond. Het voelt weldadig na al die uren zonder vocht. Beter dan welk medicijn ook. Hij sabbelt op het ding en laat het door zijn mond gaan als een lolly. Zo werkt dat dus, als je mensen iets ontneemt, en zeker zoiets primairs als een slok water, zijn ze al snel tevreden. Hij vergeet bijna die ene belangrijke vraag te stellen.
‘Und Essen?’
‘Besser auch nichts essen. Sehn Sie, ihren Eingeweide.’
‘Eigenweide?’, vraagt Nancy.
‘Seinen Darm, verstehen sie, muss ruhig werden. Also.’ Hij kijkt op zijn klembord en daarna weer naar Hendrik. ‘Die operation ist sehr gut gelungen. Besser nichts essen und trinken und dann kann ich ihnen Donnerstag entlassen. Also, dann beeil ich mich jetzt. Mehr Patienten zu besuchen.’
Nou ja, een dag niet eten en drinken overleeft hij wel, zeker nu hij die zuigstokjes heeft. Dat hij vijf dagen in dit Krankenhaus moet blijven, dat is wel een tegenvaller. Hoe heeft hij ook kunnen denken dat deze trip zijn geluk zou keren.
‘Daar gaat onze wintersport,’ fluistert Nancy. Ella’s gezicht staat op onweer. Haar zwarte hanenkam is wat ingezakt door de gesmolten sneeuw. Haar gezicht is bleek. Hij hoopt dat ze wat kleur zal krijgen hier in de bergen. Onder de dikke lagen make-up schuilt een mooie meid. Hij vindt het jammer dat ze haar ogen zowat dichtsmeert met zwarte kohl. Zelfs haar lippen verft ze zwart. Wanneer ze als klein meisje lachte deed ze dat met haar hele gezicht. Haar ogen werden nog een tintje dieper blauw, haar mond in een brede lach liet een prachtige rij tanden zien en het leukste vond hij de kuiltjes die ze in haar wangen kreeg. Dat heeft ze van hem, die kuiltjes. Hij hoest, de pijn vlamt, hij kan niets meer uitbrengen. Het doktersgevolg is bij Hendriks bed vandaan gelopen, langs de buurvrouw en haar man.
‘Rustig nou,’ zegt Nancy, ‘haal eens diep adem.’
Diep ademhalen doet nog meer pijn. Hij is ziek, hij is zielig, hij wil naar buiten, naar de sneeuw en de zon en de glühwein en de jägerthee. Met tranen in zijn ogen ziet hij hoe de arts zich bij de deur omdraait.
‘Also bis Donnerstag nichts essen und trinken. Gutentag.’

Het hele gebeuren heeft hem zo uitgeput dat hij ondanks de pijn en honger diep en lang heeft geslapen. Rond het bed van zijn buurman hangt een gordijn, die arme ziel zal wel een wasbeurt krijgen. Dan herinnert hij zich de vijf dagen. Hendrik is er niet de man naar zijn boosheid te uiten. In zijn hoofd voert hij hele discussies en scheldt hij mensen uit, maar zijn zelfbeheersing heeft hem nog nooit in de steek gelaten. Voor de buitenwereld is hij iemand die zich schijnbaar gemakkelijk bij een situatie neerlegt. Dat was een van de redenen waarom Nancy hem leuk vond, zei ze eens toen ze nog gesprekken voerden die ergens over gingen. Met jou heb ik nooit ruzie. Ella daarentegen maakt sinds ze in de pubertijd is continue ruzie met hem en vind hem een slappe zak. Hendrik steunt op zijn vuisten en komt langzaam iets omhoog. Zolang hij behoedzaam en weloverwogen beweegt zijn de steken draaglijk. Hij moet toegeven dat de zorg van de zusters in dit ziekenhuis uitmuntend is. Om de haverklap komt er een binnen om te kijken of alles goed gaat. Op geleide van de pijn kunt u zelf naar de wc gaan en u een beetje opfrissen hebben ze hem verteld; aber kein wasser trinken bitte. Alsof hij de regels zal breken. Regels zijn er niet voor niets. Zijn darmen moeten tot rust komen, dat is belangrijk. Zonder regels wordt het een chaos. Hij houdt van duidelijkheid. Ella kan regels niet verdragen en vooral die van hem niet. Zijn regels noemt ze ‘de achterlijkste regels die ze kent’. Langzaam draait hij zijn heupen en laat zijn benen mee glijden. Nancy brengt vanmiddag wat schone onderbroeken en T-shirts voor hem mee. Ze kan net zo goed zijn onuitgepakte koffer hier neerzetten. Dit Krankenhaus is nu zijn hotel; zijn Krankenknast. Rechtop staand kan hij net door het raam naar buiten kijken en ziet hij een reepje strakblauwe lucht en een dak met een laag glinsterende sneeuw erop. Wat is hij benieuwd naar hun verhalen. Ze krijgen deze ochtend hun eerste skiles.
De badkamer heeft een douche, een toilet en een wasbak. Hij rolt de infuusstandaard naar binnen en draait de deur op slot. Opgelucht ledigt hij zijn blaas. In het kastje onder de wasbak vindt hij washandjes, zeep. Hij draait de kraan open, wast zijn handen. Daarna zeept hij een washandje in en wast zo goed en kwaad als het gaat zijn gezicht en oksels. Het trekt bij de krammen. De kraan laat hij lopen. Als hij zich niet aan de regels houdt, wat voor een voorbeeld is hij dan voor zijn kind? Regels maken dingen duidelijk, helder, zo helder als de waterstraal die uit de kraan stroomt. Ella’s opstandigheid neemt per jaar toe. Houdt hij haar te strak? Hij denkt aan vroeger. Ze ging na haar verhaaltje altijd direct slapen en gaf hem mooi een handje bij het oversteken van de weg. Zelfs toen ze een jaar of twaalf was luisterde ze aandachtig naar hem als hij haar uitlegde waarom het belangrijk was je hand uit te steken op de fiets als je afsloeg. Jij waait met alle winden mee, zei ze laatst. Je doet nooit eens iets geks. Hij hoopte dat deze wintersport iets zou veranderen in de manier waarop ze hem zag, maar nu zal ze hem alleen maar meer verachten. Hij verpest de boel. Hendrik droogt zijn handen, gezicht en oksels. Het water stroomt nog steeds in de wasbak. Haar verwensingen doen hem pijn. Met teveel kracht draait hij de kraan dicht. De steek die volgt trekt niet alleen door zijn buik. Er wordt op de deur geklopt.
‘Alles oké da drinnen?, vraagt de stem van een zuster.
Ze helpt Hendrik terug in bed. Hij ziet dat ze weer eten heeft meegebracht voor zijn buurman. Die heeft voor het eerst zijn ogen open en staart waterig naar het plafond. Zijn vrouw zit stil naast hem. Op zijn bord ligt dezelfde lunch als gisteren, brood met beleg. Deze keer met een glas melk erbij en weer een bakje met iets erin, appelmoes. Hij ruikt de appel en zelfs een vleugje kaneel. De honger heeft zijn zintuigen verscherpt. Hij ruikt nu ook de vette fleischwurst. Zijn maag rammelt en trekt samen bij de aanblik en geur van het eten. Geduldig snijdt zijn vrouw de korsten van het brood, smeert er een dikke laag boter op. Daarna snijdt ze het brood in kleine blokjes, zoals je bij een baby doet die nog geen tandjes heeft, en voert haar man. Hendrik kan niet anders dan gebiologeerd toekijken, het is een extreme vorm van zelfkastijding maar het lukt gewoonweg niet zijn blik af te wenden. Hij steekt een stokje in zijn mond. Er loopt een beetje kwijl uit zijn mondhoek.
‘Misschien is het een standaardprocedure, weet jij veel,’ zegt Nancy te opgewekt. Zij en Ella zitten weer naast zijn bed. Dinsdagmiddag, nog tweeënhalve dag te gaan. Bij allebei ontwaart hij de lichte afdruk van een zonnebril. De frisse buitenlucht en energie die ze meebrengen knetteren door de ziekenhuiskamer. Hij heeft gemopperd over de middeleeuwse praktijken die ze hier hanteren.
‘Standaard bij het verwijderen van de blinde darm,’ voegt ze eraan toe.
Haar betweterigheid irriteert hem meer dan normaal.
‘Het wormvormig aanhangsel.’
‘Pardon?,’ zegt Nancy.
‘Ze halen niet de blinde darm weg, maar het wormvormig aanhangsel.’
Ella schiet in de lach. Lacht ze hem uit? Hij moet toch mee lachen als hij haar kuiltjes ziet. Ze zegt hikkend:
‘Zal ik morgen iets te eten meesmokkelen? Een broodje kaas?’
En Nancy zegt: ‘Of een bakje rijstepap, dat lepel je zo naar binnen.’
Hij schudt zijn hoofd, vindt het niet grappig. Rijstepap is zijn favoriete toetje en dat weet ze.
‘Nee, nee. Ik mag best wat afvallen en trouwens regels…’
‘zijn regels,’ vult Ella hem aan en knijpt haar ogen tot spleetjes. Dat doet ze net voordat ze boos wordt. Alsof ze probeert hem met die spleetoogjes anders te zien. Een betere versie van hem. Er volgt geen tirade of dramatisch armgebaar, zelfs geen diepe zucht waarbij ze haar schouders tot haar oren optrekt. Ze heeft vast medelijden met hem.
‘Hoe was jullie skiles?’
Vooral Nancy keuvelt er na zijn vraag enthousiast op los. Zo’n leuke skileraar, jong nog en zo lekker bruin. Hij mist echt wat. En het gaat super, dat zegt Heinz, Heinz zo heet de leraar, alsof ze al een paar jaar skiet in plaats van voor het eerst. Hendrik drukt zijn hoofd dieper in het kussen en ziet besneeuwde pistes voor zich. Ella zegt niets meer, zwaait naar de buurvrouw die weggaat. Dan onderbreekt ze haar moeder en zegt zacht:
‘De buurman heeft niet veel gegeten.’
Hendrik draait zijn hoofd naar rechts en staart naar het blad waar blokjes brood en plakken worst liggen. Het schaaltje appelmoes is voor de helft leeg. De melk staat er ook nog.
‘Hij heeft leverkanker,’ zegt Hendrik. ‘Volgens mij gaat hij snel dood. Ze komt elke middag en avond. Ze praat amper tegen hem. Tegen mij ook niet trouwens, maar dat is mijn eigen schuld.’ Hij dacht aan zijn botte ‘nein’.
‘Misschien zijn ze uitgepraat,’ zegt Nancy meewarig.
Hendrik knikt eenstemmig.
‘Hoezo?’ zegt Ella ineens fel. ‘Wat weten jullie er nou van. Altijd maar lullen over andere mensen. Hou daar toch eens mee op.’
Er valt een stilte. Hendrik voelt zich zwak en leeg. Zijn dochter heeft gelijk en hij weet wat haar dwarszit. Met haar hanenkam en opgeschoren zijkanten wordt er achter haar rug om gekletst. Hij vindt dat erg, maar zij laat zich niet kennen. Ze heeft meer lef dan hij. Er klinkt gerommel vanonder de deken.
‘Zie je’, zegt Ella, ‘je maag vindt ook dat ik gelijk heb, fuck de regels.’
Nog één dag te gaan. Hij verveelt zich stierlijk. Er is geen tv, alleen een leeshoek aan het eind van de gang die hij, nu de pijn steeds minder wordt, voorzichtig doorschuifelt, zijn infuusstang voortduwend. Op de tafel liggen een Oostenrijkse krant en tijdschriften die hem niet boeien. Zijn honger lijkt haar hoogtepunt bereikt te hebben. Een van de zusters vertelde dat de derde dag het ergste is en dat hij er daarna minder last van zal hebben. Dat zijn lijf dan over een bepaald punt heen is en gewend raakt aan het niet eten. Hendrik is nog nergens aan gewend geraakt. Hij wil eten, drinken, hij wil naar buiten, de sneeuw onder zijn moonboots horen kraken en Ella en Nancy zien skiën. Rusteloos draait hij zich om. Het duizelt hem. Zijn maag doet hem meer zeer dan zijn litteken.
‘Tag Herr Hendriks,’ zegt de zuster die met een vol dienblad langs loopt.
De oude man slaapt, snurkt een beetje wanneer ze zijn eten op het zwevende tafeltje zet.
‘Noch ein bisschen durchhalten’ zegt ze tegen Hendrik en verlaat de kamer. De buurvrouw is er nog niet. Brood, kaas, worst, het gebruikelijke, wederom vergezeld door een bakje peertjes in siroop. Kreunend kruipt hij terug in bed. Hij draait zijn hoofd naar rechts. Het bakje met de peertjes staat op een armlengte afstand. Het water loopt in zijn mond. Zou je zonder ski’s ook in een stoeltjeslift mogen? Misschien kan hij morgen met Ella mee naar boven gaan, gewoon om dat eens mee te maken en haar vorderingen te bewonderen. En dan zal hij genieten van de kou, de sneeuw en het uitzicht op de bergtoppen. Hij glimlacht bij het idee en om het verhaal wat hij haar kan vertellen waardoor ze weer kuiltjes in haar wangen krijgt. Zijn hand schiet uit naar de papzachte peertjes in glanzend zoete siroop.

Laat een reactie achter